- Toelichting
op projectuitvoering
De
wetenschappelijke basis van het Nederlandse ammoniakbeleid
Milieueffecten
van de veehouderij met betrekking tot stikstof en fosfor
Normering
en risico in wetenschappelijk perspectief.
Gewasbeschermimgsmiddelen
in ecotoxicologisch perspectief
Human
Health and Antibiotic Growth Promotors (AGPs): Reassessing
the Risk
Volledig rapport
: Gebruik van antibiotica als
veevoederadditief (Engelstalig)
INLEIDING
HAN voert projecten uit die passen in haar doelstelling.
Hierbij gaat het om meta-analyses van wetenschappelijke
literatuur en diepte-interviews met gerenommeerde experts
op het betrokken terrein Het onafhankelijk karakter van
het onderzoek wordt gewaarborgd door drie principes:
- de
oprachtgever is niet betrokken bij de uitvoer van het
project
- het
onderzoek wordt begeleid door een zware wetenschappelijke
commissie,
- de
uitkomsten worden altijd gepubliceerd.
Dit
soort wetenschappelijk onderzoek in opdracht van bedrijven
of organisaties heeft reeds geleid tot vele uiteenlopende
projecten. Over alle bovenstaande activiteiten wordt eveeens
bericht in de Nieuwsbrief van HAN, die momenteel twee
tot drie keer per jaar verschijnt en gratis wordt toegezonden
aan alle donateurs alsmede aan geselecteerde media.
Volledige
rapporten zijn op aanvraag verkrijgbaar.
De
wetenschappelijke onderbouwing van het ammoniakbeleid
door dr. J.C. Hanekamp
In
1996 is dit eerste onderzoek van HAN - uitgevoerd in opdracht
van de Fries-Flevolandse Land- en Tuinbouworganisatie-
afgerond in een publicatie.
Milieueffecten
van de veehouderij met betrekking tot stikstof en fosfor
Twee
rapporten zijn het resultaat van een breder onafhankelijke
analyse van de stichting HAN naar de effecten van fosfor-
en stikstofverbindingen (waaronder fosfaat en nitraat)
op het milieu en de volksgezondheid in opdracht van de
Nederlandse Vakbond voor Varkenshouders (NVV). Stichting
HAN wordt in deze taak bijgestaan door een onafhankelijke
commissie van deskundigen die haar oordeel en commentaar
geeft op elk facet van de analyse. De deskundigheid aanwezig
binnen het HAN bestuur wordt, indien mogelijk, eveneens
aangesproken. Twee rapporten zijn voortgekomen uit dit
onderzoek:
Nitrate:
a Public Health Hazard?
The
presence of nitrate (NO3-) in food and drinking water
is considered a major public health problem. In the Netherlands
the maximum nitrate concentration in drinking water is
50 mg NO3- per litre. If this standard is exceeded, the
water is considered unsafe. Maximum allowable nitrate
concentrations have also been set for food, including
vegetables and meat; these are given in the Commodities
Act.
In
his report 'Nitrate and Public Health: an Overview' J.C.
Hanekamp investigates the extent to which nitrate actually
forms a public health hazard. The standard set for the
nitrate concentration in drinking water is subjected to
a critical analysis in this report.
The
report is part of a more comprehensive study into the
environmental and health effects of phosphate and nitrogen
compounds (including nitrate) which the 'Heidelberg Appeal
Nederland' Foundation is carrying out at the request of
the 'Nederlandse Vakbond Varkenshouders' (NVV; Netherlands
Pig Keepers Trade Union). The present report focuses exclusively
on any public health effects and risks related to nitrate;
other environmental effects will be discussed at a later
stage.
The
report does not restrict itself to the possible risks
of nitrate, it also discusses those of nitrite (NO2-),
a related substance. For the concentrations of nitrite
in food and drinking water, too, maximum allowable values
have been set in the Netherlands. Hanekamp starts by
remarking that nitrate and nitrite exposure is for the
most part a natural phenomenon. Nitrate and nitrite
are natural components of foodstuffs and drinking water,
and these substances are also produced naturally in
the human body. Besides this natural exposure, also
'additional' exposure takes place, firstly because nitrate
and nitrite are used as food additives and secondly
because the use of (artificial) fertiliser is claimed
to give rise to higher nitrate concentrations in drinking
water (via the groundwater).
Two
main types of public health risk due to nitrate exposure
are distinguished
- acute
(direct) effects (in casu methaemoglobinaemia)
- chronic
(long-term) effects (in casu gastro-intestinal cancers)
First
of all it should be noted that the toxicity of nitrate
is in fact caused primarily by nitrite formed in the body.
Nitrate itself is practically non-toxic apart from the
disruption of the osmotic and electrolytic balance in
stomach and intestines inherently caused by salts. The
nitrite formed can oxidise haemoglobin to methaemoglobin
resulting in methaemoglobinaemia. This serious and very
rare metabolic disorder is clinically diagnosed as such
at a methaemoglobin concentration of at least 10%. Above
a certain concentration level the organism may be harmed
by oxygen deficiency. In the most serious case this leads
to death -this occurs at methaemoglobin levels of between
45% and 60%. New-borns are most susceptible to methaemoglobin
formation. Adults in general are highly insensitive to
nitrate.
In
1945 a study was published that dealt with acute nitrate
poisoning in infants. This study established a relationship
between the consumption of drinking water with a high
nitrate content and methaemoglobinaemia. (As stated, under
certain conditions nitrate is converted into nitrite in
the body). However, later studies proved that methaemoglobinaemia
is most probably caused by gastro-intestinal infections.
The immune response to the gastro-intestinal infection
causes a higher nitrate level in the body due to the endogenous
nitrate production. This nitrate may be reduced to nitrite
in the intestines by the infectious bacteria present there,
and this may result in methaemoglobinaemia. In effect
the children fall victim of their own immune response
to the infection.
The
long-term effect of nitrate exposure has been subject
of many scientific studies. Extensive epidemiological
studies, however, have not yielded a causal association
between chronic nitrate exposure and an increased risk
of gastric and/or intestinal cancer or other types of
cancer. Even long-term exposure to relatively high nitrate
doses is not known to cause any health problems. This
was found, inter alia, in studies among groups of people
professionally exposed to high nitrate doses (namely male
workers of fertiliser plants).
Hanekamp
concludes that from a public health point of view concern
about the nitrate content of drinking water and food is
not justified. The current levels do not present any public
health hazard. Adults are quite insensitive to nitrate
exposure. It can be concluded that the present drinking
water standard for nitrate can at most serve to protect
infants with gastro-intestinal infections.
Fosfaat
in Nederland: een Nutriënt in Surplus
J. C. Hanekamp
Inleiding
Stichting Heidelberg Appeal Nederland is een initiatief
van binnenuit de Nederlandse academische wereld onder
andere als reactie op een eenzijdige kijk in media en
politiek op potentiële (milieu)risicos van
wetenschappelijke, technologische en industriële
activiteiten. Eén van de activiteiten die stichting
HAN heeft ontwikkeld is het uitvoeren van onafhankelijk
wetenschappelijk onderzoek in opdracht van derden op
voorwaarde van een inhoudelijk wetenschappelijke carte
blanche en recht op publicatie ongeacht de uitkomst
van het onderzoek.
Dit
deelrapport is het tweede resultaat van een breder onafhankelijke
analyse van de stichting HAN naar de effecten van fosfor-
en stikstofverbindingen (waaronder fosfaat en nitraat)
op het milieu en de volksgezondheid in opdracht van de
Nederlandse Vakbond voor Varkenshouders (NVV). Stichting
HAN wordt in deze taak bijgestaan door een onafhankelijke
commissie van deskundigen die haar oordeel en commentaar
geeft op elk facet van de analyse. De deskundigheid aanwezig
binnen het HAN bestuur wordt, indien mogelijk, eveneens
aangesproken. Nitraat en Volksgezondheid: een Overzicht
was de eerste publicatie die voortvloeide uit dit onderzoek.
Fosfaat in Nederland: een Nutriënt in Surplus
is het tweede rapport dat voortvloeit uit dit onderzoek.
De rol van fosfaat in het Nederlandse milieu wordt in
dit rapport besproken.
Samenvatting
en concusies
Fosfaat
speelt een allesoverheersende biochemische rol. Veel biochemische
moleculen bevatten fosfaat. De mens, flora en fauna zijn
dus in belangrijke mate afhankelijk van het element fosfor
(in de vorm van fosfaat). Vanwege deze biochemische betekenis
speelt fosfaat een belangrijke rol in de landbouw. Bodemvruchtbaarheid
is in hoge mate afhankelijk van de hoeveelheid biologisch
beschikbaar fosfaat voor plantengroei. Om de bodemvruchtbaarheid
wat betreft fosfaat op peil te houden wordt er bemest
met fosfaathoudende stoffen. Bemestingsadviezen zijn gericht
op het behalen van een economisch optimale gewasopbrengst
en -kwaliteit. De hoogte van de adviezen is afhankelijk
van de fosfaattoestand van de grond, grondsoort en gewas.
Hoe hoger de fosfaattoestand hoe lager de geadviseerde
fosfaatgift, en vice versa. Met een dergelijk mechanisme
wordt bereikt dat de fosfaattoestand van de bodem landbouwkundig
optimaal zal zijn.
Aangezien
fosfaat wordt vastgelegd in de bodem en slechts in zeer
beperkte mate wordt opgenomen door gewassen kan fosfaat
zich ophopen in de bovenste laag van de bodem bij een
jaarlijks terugkerende bemesting van landbouwgronden.
De gevolgen voor natuur en milieu van fosfaatvastlegging
in de bodem is een veel bestudeerde kwestie. De aandacht
is daarbij primair gevestigd op de problematiek van de
eutrofiëring (overbemesting) van oppervlaktewateren.
Fosfaat is een belangrijk nutriënt voor algen. Overmatige
algengroei wordt beschouwd als een van de belangrijkste
oppervlaktewaterkwaliteitsproblemen in Nederland. Dit
vormt het hart van de fosfaatproblematiek in Nederland.
Nederland
is een netto-importeur van fosfaat. Het merendeel van
het fosfaatoverschot zal uiteindelijk accumuleren in hoofdzakelijk
de landbouwgronden. Geaccumuleerd fosfaat kan uitspoelen
naar het oppervlaktewater. Voor alle typen gronden geldt
dat er geen direct verband bestaat tussen fosfaatbemesting
en fosfaatverrijking van het oppervlaktewater. De interactie
van fosfaat met de bodemmatrix is daarvoor verantwoordelijk.
Voor
diluviale zandgronden is er wel een relatie gevonden
tussen het fosfaatgehalte van de bodem en de uitspoeling
naar grotere diepte. Voor klei- en veengronden
is er geen relatie bekend tussen fosfaatgehalten in de
bodem en uitspoeling. De uitspoeling van fosfaat uit kleibodems
is nihil. De fixatiecapaciteit van kleigronden is vele
malen groter in vergelijking met zandgronden. Uitspoeling
kan vele tientallen jaren of misschien wel vele honderden
jaren vergen. Daarnaast kan het bodemprofiel tussen het
maaiveld en de GHG de feitelijke
fosfaatuitspoeling beïnvloeden. Dat geldt ook voor
de diluviale zandgronden. Het is mogelijk dat de aanwezigheid
van bijvoorbeeld een klei- of oerlaag boven de GHG de
fosfaatuitspoeling kan vertragen of zelfs verhinderen.
Eutrofiëring
Nederland is van nature een eutroof land.
Dat geldt voor-namelijk voor het lager gelegen west-Nederland.
Nederland ontvangt water van de grote rivieren dat van
nature rijk is aan voedingsstoffen. Daarnaast speelt kwel
regionaal een grote rol in de fosfaattoevoer. De fosfaatconcentraties
in het bovenste grondwater in deze gronden zijn van nature
hoog. Jaarlijks wordt de landelijke belasting met fosfaat
geschat op 5400 ton P. Daarvan is 3350 ton P afkomstig
van kwel. Vanwege de kwel is in delen van west-Nederland
het oppervlaktewater van nature eutroof. West-Nederland
is in die zin dan ook onvergelijkbaar met oost-Nederland.
Het oostelijk gedeelte van Nederland (de zandgronden)
is van nature arm aan voedingsstoffen. Fosfaatbemesting
kan in deze regio grotere gevolgen hebben voor natuur
en milieu.
In
de loop van de afgelopen decennia is de eutrofiëringsgraad
van de Nederlandse meren fors toegenomen en daarmee is
de waterkwaliteit achteruitgegaan. Dat heeft een aantal
oorzaken zoals de bevolkingsgroei, de toegenomen welvaart,
de groei van de landbouw en de veestapel. In de loop van
de jaren zestig werden plassen en meren steeds groener;
de lichtdoorlatendheid van het water nam af als gevolg
van de gesuspendeerde algen; op de bodem begonnen de macrofyten
te verdwijnen door te weinig licht. Toename van de externe
nutriëntenbelasting van oppervlaktewateren vergroot
het vermogen tot primaire productie en het handhaven van
grote hoeveelheden fytoplankton (algen). Eutrofiëring
(vermesting) van meren is het verschijnsel dat door de
grote toename van nutriënten een (te) intensieve
vegetatiegroei ontstaat, dat uiteindelijk leidt tot een
dominante fytoplanktonopbloei (algenbloei) en allerlei
bijkomende problemen. Algenbloei
is een van de meest evidente karakteristieken van eutrofiëring
van een meer. Fosfaat speelt een hoofdrol in de eutrofiëring
van oppervlaktewateren. Een jarenlange externe hoge belasting
van oppervlaktewateren met fosfaat heeft langdurige consequenties
voor de waterkwaliteit, zelfs bij een afnemende externe
fosfaatbelasting. Dat heeft onder andere te maken met
fosfaatopslag in het sediment. Dit fosfaat blijft gedurende
vele jaren beschikbaar voor algengroei. Afnemende externe
fosfaatbelasting zal daardoor dan ook niet rechtstreeks
leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit. Ingrepen
in het voedselweb (biomanipulatie of actief
biologisch beheer) kunnen tijdelijk resulteren in
het verbeteren van de waterkwaliteit. Slechts voor meren
kleiner dan 30 hectare zijn positieve resultaten geboekt
met ecologisch management, overigens nadat de toevoer
van fosfaat was gereduceerd.
In
tegenstelling tot het idee dat fosfaat niet kan worden
omgezet in een gasvormige verbinding is in een artikel
in Nature aangetoond dat dit wel degelijk gebeurt
in het milieu. Fosfaat kan onder reducerende condities
worden omgezet in fosfine (PH3). De fosfaatbalans
is in die zin aanzienlijk complexer en de fosfaatbelasting
aanzienlijk diffuser dan vooralsnog is gedacht.
Conclusie
Veel fosfaat wat in de loop van de decennia
in het milieu is terechtgekomen ligt opgeslagen in bodem
en sediment waar het ook op een lange termijn biologisch
beschikbaar kan worden voor algengroei als gevolg van
veranderende bodem- of sedimentcondities. Algemeen
kan men concluderen dat voorkómen moet worden dat
fosfaat in te grote hoeveelheden in het Nederlandse milieu
terechtkomt. De fosfaatbelasting van het Nederlandse milieu
dient dus te worden beperkt. Dierlijke mest dat landbouwkundig
geen functie heeft, dat wil zeggen niet nodig is om bijvoorbeeld
de bodemvruchtbaarheid (of het organisch stofgehalte van
de bodem) op peil te houden, behoort op een of andere
manier afgevoerd te worden zodat de belasting van bodem
en oppervlaktewater kan worden beperkt. Een suggestie
die vaker is geopperd is oceaanbemesting met het dierlijke
mestoverschot.
Ons
inziens is het niet noodzakelijk dat elk wateroppervlak
hoeft te voldoen aan de fosfaatnormering voor oppervlaktewater.
Sloten aan de rand van percelen waar bemest wordt bijvoorbeeld
zullen per definitie met meer fosfaat worden belast dan
gemiddeld wenselijk zou zijn in het licht van de oppervlaktewaterfosfaatnormering.
Dat lijkt ons inziens echter geen wezenlijk milieuprobleem.
Samenvattend:
- Fosfaat
is een essentieel nutriënt voor alle levende
organismen.
- Fosfaat
is niet-toxisch en als zodanig geen milieugevaarlijke
stof.
- Fosfaatbemesting
is essentieel voor de landbouw.
- Nederland
kent een netto-import van fosfaat.
- Fosfaattransport
in de bodem is een nog slecht begrepen proces dat
bijzonder traag verloopt als gevolg van de sterke
interactie van fosfaat met de bodemmatrix.
- De
fosfaattoestand van de bodem en fosfaatuitspoeling
zijn alleen voor de diluviale zandgronden aan elkaar
gerelateerd.
- Het
bodemprofiel tussen het maaiveld en de GHG kan bepalend
zijn voor de feitelijke fosfaatuitspoeling naar
het grondwater.
- Klei-
en veengronden zijn van nature fosfaatrijk in vergelijking
met diluviale zandgronden. Dat geldt zeker voor
de kwelgebieden.
- West-
en oost-Nederland verschillen aanzienlijk wat betreft
de aanwezige ondergrond en natuurlijke fosfaatgehaltes
en verdienen om die reden een verschillende aanpak
wat betreft de fosfaatnormering.
- Nederlands
oppervlaktewater is in zijn algemeenheid van nature
eu-troof aangezien Nederland het uitstroomgebied
is van een aantal grote rivieren.
- Fosfaat
speelt een belangrijke rol in de eutrofiëring
van oppervlaktewater.
- Excessieve
algengroei is het meest evidente gevolg van oppervlaktewatereutrofiëring.
- Eutrofiëring
van oppervlaktewater wordt algemeen beschouwd als
het belangrijkste oppervlaktewatermilieukwaliteitsprobleem
in Nederland.
- Fosfaat
kan onder reducerende condities in het milieu worden
omgezet in het gasvormige fosfine (PH3).
- De
reductie van fosfaattoevoer naar het oppervlaktewater
zal op de korte en middellange termijn waarschijnlijk
geen substantiële gevolgen hebben voor de kwaliteit
van het oppervlaktewater gezien de grote hoeveelheden
fosfaat die zijn opgeslagen in het sediment van
de Nederlandse meren.
- De
eutrofiëringsproblematiek van meren lijkt in
Nederland, gezien de bevolkingsdichtheid en de bijdrage
van de landbouw vooralsnog een moeilijk oplosbaar
probleem.
Normering
en risico in wetenschappelijk perspectief.
Dr. J. C Hanekamp en drs. W. van Haren
Uitgevoerd
in opdracht van de Commissie Aardappel- en Bietengrond
De
wetenschappelijke onderbouwing van het Bouwstoffenbesluit
(1995) is onderworpen aan een grondige analyse. Kort gezegd
beschrijft deze wet een niet-bestaande categorie schone
grond aan de hand van een normering voor een 130-tal
stoffen. Het zal dan ook niemand verbazen dat grond afkomstig
van Nederlandse bodem niet zal kunnen voldoen aan deze
wet. Dit veroorzaakt enorme problemen voor industrieën
die allerlei grondstromen moeten verwerken. Op deze manier
creëert het Bouwstoffenbesluit een enorm fictief
milieuprobleem. Als gevolg hiervan zullen problemen ontstaan
ten aanzien van hergebruik van grond (bijvoorbeeld aardappel-
en bietentarra) afkomstig van het landbouwbedrijfsleven.
Deze grond kan namelijk hoogstwaarschijnlijk niet aan
de normen van het Bouwstoffenbesluit voldoen voor de categorie
schone grond. Daarmee vervalt de tarragrond tot
categorie I grond met zeer beperkte afzetmogelijkheden.
Bovendien zijn met de afzet van categorie I grond hoge
kosten gemoeid, terwijl schone grond juist geld
kan opbrengen. Daarnaast is een imagoprobleem geschapen
als zou het landbouwbedrijfsleven gewassen telen op niet-schone
grand (sterker nog: vervuilde grond). Grond afkomstig
van landbouwgrond mag dus niet zomaar opnieuw gebruikt
worden, dat wil zeggen: worden teruggebracht naar akkerland.
Tweede
Kamerleden zijn het afgelopen jaar gefnformeerd over de
gebrekkige onderbouwingvan het Bouwstoffenbesluit. De
PvdA-fractie toonde belangstelling om verder met de stichting
HAN te overleggen over dit en andere verwante onderwerpen.
Gewasbeschermimgsmiddelen
in ecotoxicologisch perspectief
Dr. P.A. H. Janssen en dr. J. Hanekamp
Uitgevoerd
in opdracht van LTO-Nederland.
Gewasbeschermingsmiddelen
mogen zich verheugen in een brede publieke belangstelling
die onder andere gevoed is door een recent rapport van
Greenpeace, Milieudefensie en de Consumentenbond getiteld
Dagelijkse Kost. Het rapport van de stichting HAN
tracht de problematiek rondom het gebruik van chemische
gewasbescherming uit de doeken te doen. Zijn bestrijdingsmiddelen
bijvoorbeeld een gevaar voor de volksgezondheid? Het antwoord
op deze vraag is een ondubbelzinnig neen. Dit antwoord
wordt uitvoerig onderbouwd aan de hand van reeds gepubliceerde
wetenschappelijke studies. Het is te hopen dat deze HAN-studie
mede kan bijdragen aan het uit de weg ruimen van aantal
hardnekkige rnisverstanden rondom het gebruik van chemische
gewasbescherming.
Emergence
of a debate: AGPs and Public Health
Human Health and Antibiotic Growth Promotors (AGPs): Reassessing
the Risk
Executive
Summary and Conclusions
Introuduction
The
question has been raised whether the use of antimicrobial
growth promoters (AGPs) in animals can result in resistance
within human bacteria. Transfer of resistance to antibiotics
from livestock to humans is the point of concern here.
The question is whether or not this implies a threat to
human health. FEFANA (Fédération Européenne
des Fabricants d'Adjuvants pour la Nutrition Animale:
European federation of feed additive producers) asked
the HAN foundation to re-evaluate the risk associated
with the use of antimicrobial (antibiotic) growth promoting
agents in livestock feed in relation to public health.
In
a simplified manner, the risk issue concerning AGP use
and human health can be depicted as follows, keeping in
mind that any type of use ('presence') of antibiotics
will result in the rise of resistant bacteria, in the
species in which it is being used:

Figure
1. Possible sources of human bacterial antibiotics resistance.
The
risk assessment thus revolves around the question to what
extent, if at all, the use of AGPs in animal rearing contributes
to bacterial antibiotic resistance already present in
humans.
The
Data
A
prerequisite in this hazard scheme is the transfer of
animal bacterial antibiotic resistance from animals to
humans. A risk assessment thus in part requires data concerning
this resistance transfer. Unfortunately, these data are
in essence non-existent. Van den Bogaard et al. (1997b)
claimed that a turkey and a farmer had the same strain
of vancomycin-resistant E. faecium. Until now this letter
is the only one that describes indistinguishable strains
in animals and humans suggesting a possible transfer of
bacteria. However, it was not proved that this strain
really colonised the human gut. Furthermore, since other
reports describing similar cases are not available, reproducibility
is absent. Generalisation from this particular observation
is scientifically unsound and without foundation as transfer
mechanisms of DNA are manifold taking into account the
different bacteria species and genera and the several
resistant traits of interest.
Resistance
transfer -although crucial- is, however, only part of
the total risk assessment process. The acquiring of resistance
by micro-organisms under selective antibiotics pressure
is far from uniform and in many cases not fully resolved.
Furthermore, the epidemiological consequences of resistance
transfer from animals to humans, once established in a
reproducible manner, need to be taken into account. Epidemiological
data to this date do not show that use of AGPs in animal
rearing compromised the use of related antibiotics in
human medicine. Therefore, past experiences do not reveal
that AGPs are a major source of resistance within human
bacteria even after 30 years of use. Moreover, there are
no indications that human infectious diseases are on the
increase as a result of the use of AGPs. Risk analysis
also requires the positive (health) effects to be taken
into account such as improved animal welfare and the reduction
of the shedding of pathogenic zoonotic micro-organisms.
It
is clear that reproducible and documented data concerning
antibiotic resistance transfer from animals to humans
is lacking. This makes a formal risk assessment of this
issue not possible. By definition risk assessment can
not be based only on the possibility (the hazard identification)
that antibiotic resistance could in theory be transferred
from animals to humans. A quantitative scientific basis
is needed for that. Risk analysis guarantees that sound
scientific data are applied in weighing both the positive-
against the negative health effects.
In
Conclusion
- The
human health risk concerning the use of AGPs cannot
be properly assessed for lack of data.
- The
contribution to human bacterial antibiotic resistance
from animal bacterial resistant cannot be fully assessed
for lack of data.
- Sofar,
AGP use did not compromise the human therapeutic use
of related antibiotics.
- Sofar,
epidemiological data do not show an increase of infectious
diseases as a result of the use of AGPs.
- Thorough
documented in vivo cases showing the spread of antimicrobial
resistant Gram-positive bacteria from livestock to humans
are in essence non-existent.
- Resistance
transfer from animals to humans is only part of the
entire risk chain. The major parts of this chain of
events comprise of a micro-biological/ genetic part,
an animal-human transfer part and an epidemiological
part.
- Assessing
the human health risk in relation to AGPs involves making
a full scientific inventory. Beneficial aspects such
as animal welfare in relation to the use of AGPs and
the influence of AGPs on the spread of pathogenic zoonotic
organisms also need to be taken into consideration.
- A
comprehensive multidisciplinary research effort is needed
to properly assess all aspects of the use of AGPs in
animal husbandry.